Sommige weken zijn zo enerverend dat het moeilijk is ze in woorden te vatten. Aan mij de uitdagende taak dat toch te proberen, niet omdat het moet, maar omdat ik nou eenmaal die drang bezit. Hoewel schrijven met een warrig hoofd een heleboel rotzooi heeft opgeleverd (enkele meesterwerkjes daargelaten), wil ik het wederom proberen.

21 april vierde ik mijn 32e verjaardag. Mijn vriend uit Wales was overgekomen, ik had een stuk of wat vrienden uitgenodigd en het ambitieuze plan opgevat om voor die pak ‘m beet tien mannen en vrouwen te gaan koken. Het meeste van dat gekokkerel had ik al in de ochtend gedaan, maar toch leidde het avondmaal tot de nodige chaos. Toen ik met vriendin #1 en vriendin #2 in de keuken stond om de berg afwas weg te werken alvorens wij de stadwaarts zouden gaan, hoorde ik, vanuit de woonkamer, verjaarsgezang.

Daar stonden 2 van mijn begeleiders in de woonkamer, tussen al mijn vrienden en vriendinnen in mijn kleine, propvolle appartementje, uit volle borst te zingen. Ik had allicht verwacht dat mijn PB-er eventjes zou bellen, niet in de minste plaats omdat ze dat had aangekondigd, maar dit had ik niet zien aankomen. Blozend nam ik de Hoera’s in ontvangst; Wonen Paddepoel inmiddels vergezeld door een handvol van mijn vrienden. Helaas kon ik ze niet mee de stad in nemen, die begeleiders. Ze vertrokken even vlug als ze gekomen waren, via de achterdeur, na het schudden van de handen van de sleutelfiguren in mijn leven, die daar, op die mooie lentedag, allemaal ineens aanwezig waren in 1 ruimte.

De vreugde van mijn nieuwe levensjaar. Ik vier mijn verjaardag nooit, vooral omdat het me meestal terugbrengt naar mijn kinderjaren. Die kinderjaren en dat jarig zijn waren zo intens fijn. Cadeaus op het bed van mijn ouders na een korte en onrustige nacht slaap van de spanning. Taart met kaarsjes en nooit je wens verklappen. En later op mijn 22e. De eerste verjaardag na mijn ziek worden, precies 10 jaar geleden, in mijn kleine kamer op de crisisafdeling van de kliniek. Jarig zijn betekent de laatste jaren melancholisch zijn. Dit jaar was het anders. Dit jaar was het fijn. Ergens raakte het weer aan die kinderlijke vreugde van toen.

Zowel het vreugdevolle als het kinderlijke waren moeilijk vast te houden in de dagen daarna, waar mijn vriend na een ruzie de deur uit stormde (en nu ben ik er echt klaar mee!), en ik mij vooral moest blijven focussen in de dagen die in de nabije toekomst voor me lagen. Het werkelijke vallen kwam dan ook pas na afgelopen vrijdag, toen ik de registratie van mijn theaterstuk “toen ik nog Messias was” achter de rug had. Opzich ook een prachtige, maar emotionele dag.

Ook daar waren ze weer trouwens, die begeleiders, verscholen op de achterste rij in de donkerte.

De laatste dagen worden vooral gekenmerkt door het missen, en dan met name het missen van dingen die eigenlijk niet bestaan. Soms kan ik het “normale” leven zo intens missen, en vaak houd ik mezelf dan in de illusie dat ik dat leven ooit gekend heb. Elke dag, elke ochtend wanneer ik mijn pillen slik, is de kenmerkende confrontatie met mijn ziekte en mijn kwetsbaarheden. Soms verlang ik zo naar een leven zonder die pillen. Een leven zonder die zelfkennis en die ambitie door te bikkelen. Het leven wat ik denk dat bestaat bij anderen, ookal weet ik best dat niemand dat “normale” leven heeft weten te vangen.

Ik zei gisteren tegen mijn beste vriend dat hij de enige man op deze wereld lijkt die normaal is. Die mijn grillen en met name mijn periodes van mentale afwezigheid volledig heeft geïntegreerd in onze vriendschap. Mijn PB-er zei gisteren grappend dat de vonk tussen hem en mij maar over moet slaan, omdat we een prachtig stel zouden zijn.

Ze zijn me beide waardevol. Die vriend en die PB-er. Die vriend omdat hij me knuffelt als ik het nodig heb. Omdat we samen Netflix kijken als mijn hoofd te vol zit om te kunnen denken. Omdat hij zo van fietsen houdt, en ik het haat, en dat hij, wanneer we samen fietsen, zijn grote hand op mijn rug legt en me liefdevol zetjes geeft. Omdat hij deel is van het netwerk waar ik mezelf zo gelukkig mee kan prijzen.

Die PB-er is me dierbaar om eigenlijk diezelfde redenen. Wanneer ze me stiekem een knuffel geeft terwijl het “eigenlijk niet mag”.  Wanneer een hulpverlener-client-relatie overgaat in een soort van professionele vriendschap.

Als ze volgend jaar op 21 april niet hoeft te werken, neem ik haar mee de kroeg in. Ze zal weer voor me zingen, samen met mijn vrienden en vriendinnen. En ik? Ik zal het verjaarsgezang in me opnemen, kijkend naar en houdend van de mensen die het voortbrengen.

 

Kris Vesseur is componiste, schrijfster en theatermaakster. Iedere maand schrijft zij een blog over een thema rondom beschermd wonen. Ze is gediagnosticeerd met schizofrenie en woont zelf in een beschermde woonvorm. Haar werk is doorspekt met haar psychische kwetsbaarheden en wat dat met haar leven doet. Ze beschrijft het op zowel pijnlijke als hilarische wijze. Voor meer van haar werk kan je haar website ProductiefLabiel bezoeken.