Toen ik onlangs mijn leidinggevende vroeg om wat input voor mijn blogs, deed zijn eerste suggestie mij grinniken. Naast de meer voor de hand liggende thema’s als ‘buren’ en ‘ben ik mijn ziekte?’, stond bovenaan de lijst de zin ‘waarom ik niet op Pinkpop sta’.

Op 21 juni was het Lentisfestival, waar ik mijn eigen heuse minitheater had gekregen. Ik speelde de hele dag elke anderhalf uur een setje muziek. Mijn beste vriendin was die dag mee om mij te vergezellen. Mede daarom werd het een te gekke dag, met een hoop mooie ontmoetingen, een leuk en wisselend publiek en een bijna-dood-ervaring door lekkende stroom die mij, toen mijn mond nietsvermoedend de microfoon raakte, zowat elektrocuteerde.

Maargoed, ik speel dus vaak op dit soort GGZ-gerichte festivals en bijeenkomsten, maar Pinkpop gaat elk jaar ongezien aan mij voorbij. Net als Lowlands trouwens. Het is dat de naam van het eerste festival zekerheid geeft over wanneer het plaatsvindt, en dat mijn broertje altijd naar het laatstgenoemde festival gaat, anders zou ik – mede door mijn al jaren tv-loos huishouden – niet eens weten wanneer deze twee toch wel grootste festivals van Nederland plaatsvinden.

Het doet me denken aan het vroeger (en dan besef ik weer dat de jaren ook aan mij snel voorbij trekken), alwaar ik met mijn metalband de hele shitzooi in het busje laadde. Tetris-Tijmen pakte de bus in, terwijl ik met de rest van de band versterkers, drumkits en gitaren van onze oefenruimte naar het gehuurde busje zeulde. Pinkpop hebben we nooit gered, maar de kleinere festivals en ook enkele grote namen als de Zwarte Cross en Eurosonic hebben we platgespeeld.

Mis ik dat? Ja, ergens wel.

De band stopte na mijn eerste heftige periode van ziekte. Ik herinner me ons optreden in de Melkweg in Amsterdam, toen ik nog opgenomen was op de open afdeling van het UCP, en de band na bovengenoemde inpakrituelen richting A’dam vertrok, het podium opbouwde en mijn piano en microfoon soundcheckte. Pas 10 minuten voor aanvang van onze show arriveerde ik in de cabrio met mijn vader, die mij vervolgens het podium ophees, alwaar ik zong alsof mijn leven ervan afhing (en dat deed het in die tijd ook nog, wellicht). Na afloop deden we hetzelfde in omgekeerde volgorde. Mijn vader stopte me veilig in zijn auto en bracht me terug naar de afdeling, terwijl de band onze gear weer inpakte en met bus en al richting het noorden tufte.

Het is een leven dat zo lang geleden lijkt. De eindeloze ritten naar binnen- en buitenland, soms vol hilariteit en alcohol, soms dodelijk vermoeid; smeekbedes over wie er alsjeblieft kon rijden als wij midden in de nacht huiswaarts keerden.

Mis ik dat? Nee, ergens niet.

Het is een heftig leven, het muzikantendom. Een leven dat niet goed valt te combineren met een ziekte als schizofrenie. Ik heb vaak genoeg gedacht dat ik mijn gitaar, mijn piano en mijn microfoon aan de wilgen moest hangen en ‘een vak moest leren’. Vroeger had ik de ambitie om altijd op ’t podium te staan. Het leven dat ik een tijdje geleefd heb; van studio naar oefenruimte naar podium, al dan niet in andere volgorde. Soms denk ik wel dat dit er mede voor gezorgd heeft dat ik in 2008 brak. Muziek studeren, ’s avonds repeteren, weekenden weg met de band, tourtjes.

Het is niet alleen de drukte van zo’n leven, maar vooral de intensiteit. Muziek is voelen, en teveel voelen leidt onherroepelijk tot vallen (in ieder geval met een psychotische aanleg).

Nadat we stopten met de band, heb ik nog een tijd geprobeerd naar festivals te gaan, als bezoeker. Ook daar ben ik maar snel mee opgehouden. De mensenmassa’s zorgen bij mij voornamelijk voor paniek. En zo is het nog steeds. Ik krijg vaak de vraag hoe het kan dat ik, als ik optreed in een drukke kroeg, ik op het podium het prima trek, en ik in het publiek vooral panisch word. Het antwoord op die vraag is vrij simpel; op het podium heb je je eigen plekje, je bubbel – al dan niet gedeeld met je medemuzikanten. In de zaal ben je deel van zo’n massa.

Ik houd niet van massa’s. Vooral niet als die massa’s gemaakt zijn van vlees en bloed. Van mens.

Soms zet ik thuis nog de CD’tjes op die ik met mijn bandje heb gemaakt. De dagen van welleer. Het vult mij met een mengeling van melancholie, trots en schuldgevoel. Best goed waren we. En de zeven jaren dat we samen gespeeld hebben had ik voor geen goud willen missen. Al het goede is eindig. Al het slechte ook trouwens.

Ik kan een lijstje opnoemen van alle redenen dat ik niet op Pinkpop sta. Ik kan mijmeren en mezelf voorhouden dat we, als we destijds door waren gegaan met June, we het sowieso hadden gered op dat soort podia te spelen. Feit blijft dat ik thuis ben in mijn kleine wereldje van kroegjes, congressen en minifestivals met minitheaters. Ik heb weergaloze waardering voor de kleine schare fans die ik heb opgebouwd, die langzaam, heel langzaam maar gestaag nog steeds een beetje groeit. De lieve mailtjes die ik soms via mijn website mag ontvangen. De enkeling die in het donker van de zaal een traan van zijn of haar wangen veegt, wanneer ik mijn slotnummer voor ze zing.

Daarom dus.

 

Kris Vesseur is componiste, schrijfster en theatermaakster. Iedere maand schrijft zij een blog over een thema rondom beschermd wonen. Ze is gediagnosticeerd met schizofrenie en woont zelf in een beschermde woonvorm. Haar werk is doorspekt met haar psychische kwetsbaarheden en wat dat met haar leven doet. Ze beschrijft het op zowel pijnlijke als hilarische wijze. Voor meer van haar werk kan je haar website ProductiefLabiel bezoeken.